Category Archives: Other

Crypto currency and market capitalisation

Over the past months I became interested in the possibilities that crypto currencies have to offer. At first I became interested in the idea that crypto currency could play an important role in (international) money transfers, replacing traditional currency like dollar, euro and pound and replace traditional bank-to-bank transferring methods. At the same time I realised that  there still are causes that will prevent crypto currencies to become intensively used in money transferring.

The crypto currency market, especially the one for Bitcoin has known many up and down swings over the years since its introduction in 2009. Although there were some near-meltdowns along its path over the years, 2017 proved to be a kind of ‘break through’ year where the price half way 2017 soared from $ 1.000  to $ 3.000. The potential prospect of soon to be realised gains for simply holding on to ones crypto currencies will create an effect where the owners of their crypto currencies rather not want to use them in transferring scenarios. Yet if the owner of a crypto currency would want to use his digital cash for transferring purposes he or she will be faced with many complications. There are still relatively few people (ask the ones around you)  owning an ewallet which would allow them to receive or send digital cash. There is no way that different types of crypto currencies are interchangeable. And last but not least there are few (web) shops that accept crypto currencies for paying goods or services.

When diving in the technology behind the crypto currency you will find the block chain technology that can be considered as a transparant, autonomous and highly secure way of storing  data. The comparison to a world wide operating virtual ledger or spreadsheet is often made. The blockchain technology is what drives and enables crypto currency but blockchain technology can actually be applied for many other purposes.

We are witnessing a revolutionary way in which administrative (economical) processes will be changing over the coming years and decades. The concept can even be applied to concepts beyond administrative processes (for example to identity management and asset registration). Without going into detail too deep in the underlying technology we will witness the emerge of an autonomous, transparant, de-centralized infrastructure that offer possibilities in which we currently are using banks, clearing institutes, accountancy and administrative firms to perform most of these activities. With blockchain technology all these activities come under one roof, but without the boundaries and middle men that are usually associated with those activities.

If you look at the developments from this perspective than investing in Bitcoin, Ethereum or one the hundreds of alternative altcoins becomes like investing in a company -like investing in stock-, although lacking the traditional centralized management that we usually associate with the ‘traditional’ companies. It then becomes obvious that the market capitalization of (for example) Ethereum does signal something about its economic relevance and may be compared to those traditional companies. That is why 2017 also saw the break through of ICO’s (Initial Coin Offerings) which somewhat can be compared to the virtual launch of an IPO (Initial Public Offering), the most usual way for a company that is going public by issuing stock and entering the stock market.

Let’s take for example a ‘traditional’ company, Apple, which had in June a market capitalisation of app. $ 675 billion, making it the company with the largest market capitalisation in the world. Ethereum had at the same time a market capitalisation of approximality $ 30 billion. So Apple as a 40 year old company producing computer related products and services is at the moment 20x the size of Ethereum, a highly advanced initiative that takes the Bitcoin blockchain technology to the next level with its abilities of incorporating development tools in its own block chain technology.

From such a perspective  it is justified to believe that Ethereum one day will become bigger than Apple, measured by its market capitalisation because its added economical value will become at least as significant as Apple’s (and probably much more important). It may be tempting to make calculations about what the pricing of one Ether (Ethereum’s crypto currency) could be like in such a scenario, but one can assume that the current price of ca. $300 is just a fragment of its pricing potential. Others have been less witholding about their predictions about what the the pricing for crypto currencies could become like.

All in all investing in crypto currencies is at the moment more like earning a stake in a promising new technology enabled by an initiative that could be typed as a ‘virtual’ company. The traditional lines between stock and currency are blurring as you might one day use that stake (your Ethers, Bitcoins or other altcoins) for actually using it as digital cash. And that would be something that would be impossible to do with regular stock from the ‘traditional’ companies.

On the other hand take in consideration that this whole blockchain industry is still in its very early stages. The pricing of the crypto currencies are extremely volatile, because nobody really knows where things are heading. There is always the probability that reading this article in three years time the content seems to be out of date because the playing field has completely changed.

If you want to have a good introduction to crypto currencies and blockchain technology I advise you to read and see the following links:

6 interesting introduction videos:

Watch all six episodes of the series Trust Disrupted: Bitcoin and the Blockchain

Vilarik Buterin (the inventor of Ethereum) explaining Ethereum:

https://coincenter.org/entry/what-is-ethereum

Na de VAR en Wet DBA

Na enige maanden van chaotische toestanden rondom de Wet DBA heeft minister Wiebes geconcludeerd dat deze wetgeving te veel lacunes kent en het niet zo handig is om definities uit de Arbeidswet van 1907 in de 21e eeuw toe te passen. Er is, met de kamerverkiezingen in maart 2017 in het vooruitzicht, nu ieder geval hoop dat de positie van de ZZP-ers op termijn duidelijk geregeld gaat worden in nieuwe wetgeving die de Wet DBA vervangt. In dit artikel een korte terugblik en suggesties hoe de positie van ZZP-ers én werknemers duidelijker geregeld kan worden.

De afgelopen decennia zijn er grote veranderingen opgetreden in de wijze waarop arbeidsrelaties tot stand komen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Nederland grote industriële en dienstverlenende conglomeraten die voor een aanzienlijk deel voor de binnenlandse werkgelegenheid zorgden. Anderzijds verzorgden het vanouds aanwezige klein- en middenbedrijf en overheidsorganisaties in de resterende vraag naar arbeidspotentieel.

Vrijwel alle arbeidsrelaties hadden tot de jaren ’80 als gemeenschappelijk kenmerk dat zij waren gebaseerd op een lange en stabiele relatie tussen werkgever en werknemer. De werknemer koos voor een carrière bij dezelfde werknemer en carrière switches waren afwezig of uiterst beperkt. Je begon na opleiding of studie bij een ‘baas’ en vaak beëindigde je bij diezelfde baas ook je loopbaan. De overheid zorgde voor een vangnet, indien er fricties of wijzigingen in de arbeidsrelaties optraden (ontslag, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen). In dit model was er een grote zekerheid en stabiliteit ten aanzien van inkomsten uit premieheffing voor volksverzekeringen en pensioenen bij werkgevers en werknemers.

Vanaf de jaren ’80 kwamen er kenteringen in deze stabiele verhoudingen tussen werknemer en werkgever. De werknemer begon een meer zelfstandige en zelfbewustere positie in te nemen ten opzichte van de werkgever. Naast het ‘jobhoppen’, was de opkomst van de ZZP-er een illustratie van een nieuwe hang naar grotere zelfstandigheid, flexibiliteit en zelfbewustzijn. Een ZZP-er zorgde zelf voor zijn opdrachten en dopte zijn eigen boontjes aangaande verzekeringen en pensioen. De overheid stimuleerde aanvankelijk de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap ook actief door middel van gunstige fiscale regelingen zoals startersaftrek, zelfstandigenaftrek en fiscale oudedagsreserve.

Werkgevers zagen op den duur ook de voordelen van deze ontwikkeling en werden actief ondersteund door de overheid. Niet alleen werden flexcontracten of tijdelijke dienstverbanden gemeengoed, in bepaalde bedrijfstakken (zelfs binnen de overheid) werden werknemers zelfs aangemoedigd om ZZP-er te worden om vervolgens weer ingehuurd te worden door de werkgever. Voor de werkgever waren aan dergelijke constructies voordelen verbonden, zoals de afnemende belastingdruk van arbeidsgerelateerde verzekeringen en een zwakkere arbeidsrechtelijke positie ten opzichte van een werknemer, die een vast dienstverband had met de werkgever. Het begrip ‘schijnzelfstandige’ deed zijn intrede en werd door politici en maatschappelijke instanties bestempeld als een slachtoffer van de doorgeslagen flexibiliteit in de arbeidsrelaties. De politiek begon na te denken over maatregelen om hier verandering in aan te brengen.

Bovenstaand stukje context en achtergrond dient ter illustratie om aan te tonen, dat de overheid met de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) een ‘one size fits all’ aanpak probeerde te introduceren voor de ZZP-er, terwijl ZZP-ers om zeer uiteenlopende redenen voor het ondernemerschap kozen. Voor de meerderheid was het een weloverwogen keuze, voor andere ZZP-ers was het een manier om bij de werkgever aan de slag te kunnen blijven. In de nieuwe wetgeving poogde de overheid door middel van het toetsen van modelovereenkomsten grip te krijgen op de relatie tussen werkgever/ opdrachtgever en werknemer/ opdrachtnemer. De Belastingdienst zou het uitvoerend orgaan van deze toetsing worden. Indien op basis van de modelovereenkomst beoordeeld zou worden, dat er geen sprake is van een relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, maar tussen een werkgever en een werknemer, dan zou de werkgever/opdrachtgever ‘beboet’ worden en alsnog premies voor sociale voorzieningen dienen af te dragen.

Er was al gelijk onduidelijkheid over hoe de Belastingdienst een dergelijk wetgeving dacht te gaan uitvoeren en controleren. Er zijn inmiddels al meer dan een 1.000.000 ZZP-ers (waarvan in het verleden 500.000 VAR verklaringen werden verstrekt), die op jaarbasis een nog grotere hoeveelheid overeenkomsten afsluiten. Het grote manco van de Wet DBA was dat het ondoorzichtig bleef wat de werkelijke gronden voor toetsing zouden worden. Zoals iemand dat uitdrukte: de snelweg werd vrijgegeven, maar achteraf werd bepaald hoe hard je zou mogen rijden.

Als snel leidde de Wet DBA tot ophef en onrust, het vertrouwen in de markt begon weg te vallen. Opdrachtgevers kregen koudwatervrees bij verlengen of afsluiten van nieuwe contracten met ZZP-ers. Toen recentelijk ook de werkgeversorganisatie VNO-NCW overstag ging en constateerde dat de Wet DBA een onding was, werd feitelijk het lot van de wet bezegeld. Het meest realistische scenario lijkt nu dat na een nieuwe regering na maart 2017 met nieuwe wetgeving zal komen.

Omdat een aanzienlijk deel van de Nederlandse werkgelegenheid wordt vervuld door ZZP-ers heeft dit de nodige impact op het eerder beschreven systeem van sociale vangnet en het pensioenstelsel. Premie-inkomsten om sociale regelingen te bekostigen en het pensioenstelsel op peil te houden zullen verminderen. De Wet DBA leek dan ook (indirect) een poging om de klok weer terug te draaien om een verouderd model van arbeidsverhoudingen te doen herleven. Flexibilisering van de arbeidsmarkt en ZZP-schap gaan simpelweg niet samen met een stelsel van verplichte winkelnering aangaande sociale en pensioenvoorzieningen.

Nu er dus op termijn waarschijnlijk nieuwe wetgeving zal komen, die niet meer gebaseerd zal zijn op de verouderde Arbeidswet, liggen wat mij betreft een aantal maatregelen voor de hand die een oplossing bieden voor het voorkomen van ‘schijnzelfstandigheid’. Op de eerste plaats ligt de-fiscalisering voor de ZZP-er het meest voor de hand. Dat betekent dat de ZZP-er geen (of veel minder snel) aanspraak kan maken op fiscale regelingen zoals de FOR, investeringsaftrek, startersaftrek en zelfstandigenaftrek. Dit verhoogt de drempel naar het zelfstandig ondernemerschap en voorkomt ook dat ‘geloosde’ werknemers via een achterdeur weer terug kunnen komen als schijnzelfstandige (een methode die Wiebes nota bene bij zijn eigen Belastingdienst toestond). Voor de werknemers in loondienst zullen er ook aanzienlijke veranderingen doorgevoerd dienen te worden. Zij zullen een veel grotere keuzevrijheid moeten gaan krijgen ten aanzien van de invulling arbeid gerelateerde verzekeringen en de wijze waarop zij willen voorzien in de vorming van hun pensioen. Dat zal grote consequenties hebben voor pensioenorganisaties en premie innende organisaties. Om de huidige vastgelopen verhoudingen op de arbeidsmarkt te normaliseren is er geen andere weg om deze organisaties drastisch te hervormen en hun taken veel beter af te stemmen op de behoeften en wensen van de moderne werknemer. Ook zullen de hervormingen voor de werknemer er aan gaan bijdragen dat de stap naar een ZZP-bestaan veel minder aantrekkelijk en vanzelfsprekend wordt.

De ZZP-er krijgt voor het inleveren van zijn fiscale voordelen er dan wél voor terug dat hij met rust gelaten wordt door de overheid. Deze bemoeit zich niet meer met de afspraken die de ZZP-er maakt met zijn opdrachtgever(s). De voorgestelde maatregelen leiden ertoe dat de overheid verlost wordt van een complexe, onuitvoerbare en tot willekeur leidende wetgeving, die tot toenemende frustraties, irritaties en gespannen verhoudingen op de arbeidsmarkt hebben geleid.