Tag Archives: economie

Na de VAR en Wet DBA

Na enige maanden van chaotische toestanden rondom de Wet DBA heeft minister Wiebes geconcludeerd dat deze wetgeving te veel lacunes kent en het niet zo handig is om definities uit de Arbeidswet van 1907 in de 21e eeuw toe te passen. Er is, met de kamerverkiezingen in maart 2017 in het vooruitzicht, nu ieder geval hoop dat de positie van de ZZP-ers op termijn duidelijk geregeld gaat worden in nieuwe wetgeving die de Wet DBA vervangt. In dit artikel een korte terugblik en suggesties hoe de positie van ZZP-ers én werknemers duidelijker geregeld kan worden.

De afgelopen decennia zijn er grote veranderingen opgetreden in de wijze waarop arbeidsrelaties tot stand komen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Nederland grote industriële en dienstverlenende conglomeraten die voor een aanzienlijk deel voor de binnenlandse werkgelegenheid zorgden. Anderzijds verzorgden het vanouds aanwezige klein- en middenbedrijf en overheidsorganisaties in de resterende vraag naar arbeidspotentieel.

Vrijwel alle arbeidsrelaties hadden tot de jaren ’80 als gemeenschappelijk kenmerk dat zij waren gebaseerd op een lange en stabiele relatie tussen werkgever en werknemer. De werknemer koos voor een carrière bij dezelfde werknemer en carrière switches waren afwezig of uiterst beperkt. Je begon na opleiding of studie bij een ‘baas’ en vaak beëindigde je bij diezelfde baas ook je loopbaan. De overheid zorgde voor een vangnet, indien er fricties of wijzigingen in de arbeidsrelaties optraden (ontslag, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen). In dit model was er een grote zekerheid en stabiliteit ten aanzien van inkomsten uit premieheffing voor volksverzekeringen en pensioenen bij werkgevers en werknemers.

Vanaf de jaren ’80 kwamen er kenteringen in deze stabiele verhoudingen tussen werknemer en werkgever. De werknemer begon een meer zelfstandige en zelfbewustere positie in te nemen ten opzichte van de werkgever. Naast het ‘jobhoppen’, was de opkomst van de ZZP-er een illustratie van een nieuwe hang naar grotere zelfstandigheid, flexibiliteit en zelfbewustzijn. Een ZZP-er zorgde zelf voor zijn opdrachten en dopte zijn eigen boontjes aangaande verzekeringen en pensioen. De overheid stimuleerde aanvankelijk de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap ook actief door middel van gunstige fiscale regelingen zoals startersaftrek, zelfstandigenaftrek en fiscale oudedagsreserve.

Werkgevers zagen op den duur ook de voordelen van deze ontwikkeling en werden actief ondersteund door de overheid. Niet alleen werden flexcontracten of tijdelijke dienstverbanden gemeengoed, in bepaalde bedrijfstakken (zelfs binnen de overheid) werden werknemers zelfs aangemoedigd om ZZP-er te worden om vervolgens weer ingehuurd te worden door de werkgever. Voor de werkgever waren aan dergelijke constructies voordelen verbonden, zoals de afnemende belastingdruk van arbeidsgerelateerde verzekeringen en een zwakkere arbeidsrechtelijke positie ten opzichte van een werknemer, die een vast dienstverband had met de werkgever. Het begrip ‘schijnzelfstandige’ deed zijn intrede en werd door politici en maatschappelijke instanties bestempeld als een slachtoffer van de doorgeslagen flexibiliteit in de arbeidsrelaties. De politiek begon na te denken over maatregelen om hier verandering in aan te brengen.

Bovenstaand stukje context en achtergrond dient ter illustratie om aan te tonen, dat de overheid met de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) een ‘one size fits all’ aanpak probeerde te introduceren voor de ZZP-er, terwijl ZZP-ers om zeer uiteenlopende redenen voor het ondernemerschap kozen. Voor de meerderheid was het een weloverwogen keuze, voor andere ZZP-ers was het een manier om bij de werkgever aan de slag te kunnen blijven. In de nieuwe wetgeving poogde de overheid door middel van het toetsen van modelovereenkomsten grip te krijgen op de relatie tussen werkgever/ opdrachtgever en werknemer/ opdrachtnemer. De Belastingdienst zou het uitvoerend orgaan van deze toetsing worden. Indien op basis van de modelovereenkomst beoordeeld zou worden, dat er geen sprake is van een relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, maar tussen een werkgever en een werknemer, dan zou de werkgever/opdrachtgever ‘beboet’ worden en alsnog premies voor sociale voorzieningen dienen af te dragen.

Er was al gelijk onduidelijkheid over hoe de Belastingdienst een dergelijk wetgeving dacht te gaan uitvoeren en controleren. Er zijn inmiddels al meer dan een 1.000.000 ZZP-ers (waarvan in het verleden 500.000 VAR verklaringen werden verstrekt), die op jaarbasis een nog grotere hoeveelheid overeenkomsten afsluiten. Het grote manco van de Wet DBA was dat het ondoorzichtig bleef wat de werkelijke gronden voor toetsing zouden worden. Zoals iemand dat uitdrukte: de snelweg werd vrijgegeven, maar achteraf werd bepaald hoe hard je zou mogen rijden.

Als snel leidde de Wet DBA tot ophef en onrust, het vertrouwen in de markt begon weg te vallen. Opdrachtgevers kregen koudwatervrees bij verlengen of afsluiten van nieuwe contracten met ZZP-ers. Toen recentelijk ook de werkgeversorganisatie VNO-NCW overstag ging en constateerde dat de Wet DBA een onding was, werd feitelijk het lot van de wet bezegeld. Het meest realistische scenario lijkt nu dat na een nieuwe regering na maart 2017 met nieuwe wetgeving zal komen.

Omdat een aanzienlijk deel van de Nederlandse werkgelegenheid wordt vervuld door ZZP-ers heeft dit de nodige impact op het eerder beschreven systeem van sociale vangnet en het pensioenstelsel. Premie-inkomsten om sociale regelingen te bekostigen en het pensioenstelsel op peil te houden zullen verminderen. De Wet DBA leek dan ook (indirect) een poging om de klok weer terug te draaien om een verouderd model van arbeidsverhoudingen te doen herleven. Flexibilisering van de arbeidsmarkt en ZZP-schap gaan simpelweg niet samen met een stelsel van verplichte winkelnering aangaande sociale en pensioenvoorzieningen.

Nu er dus op termijn waarschijnlijk nieuwe wetgeving zal komen, die niet meer gebaseerd zal zijn op de verouderde Arbeidswet, liggen wat mij betreft een aantal maatregelen voor de hand die een oplossing bieden voor het voorkomen van ‘schijnzelfstandigheid’. Op de eerste plaats ligt de-fiscalisering voor de ZZP-er het meest voor de hand. Dat betekent dat de ZZP-er geen (of veel minder snel) aanspraak kan maken op fiscale regelingen zoals de FOR, investeringsaftrek, startersaftrek en zelfstandigenaftrek. Dit verhoogt de drempel naar het zelfstandig ondernemerschap en voorkomt ook dat ‘geloosde’ werknemers via een achterdeur weer terug kunnen komen als schijnzelfstandige (een methode die Wiebes nota bene bij zijn eigen Belastingdienst toestond). Voor de werknemers in loondienst zullen er ook aanzienlijke veranderingen doorgevoerd dienen te worden. Zij zullen een veel grotere keuzevrijheid moeten gaan krijgen ten aanzien van de invulling arbeid gerelateerde verzekeringen en de wijze waarop zij willen voorzien in de vorming van hun pensioen. Dat zal grote consequenties hebben voor pensioenorganisaties en premie innende organisaties. Om de huidige vastgelopen verhoudingen op de arbeidsmarkt te normaliseren is er geen andere weg om deze organisaties drastisch te hervormen en hun taken veel beter af te stemmen op de behoeften en wensen van de moderne werknemer. Ook zullen de hervormingen voor de werknemer er aan gaan bijdragen dat de stap naar een ZZP-bestaan veel minder aantrekkelijk en vanzelfsprekend wordt.

De ZZP-er krijgt voor het inleveren van zijn fiscale voordelen er dan wél voor terug dat hij met rust gelaten wordt door de overheid. Deze bemoeit zich niet meer met de afspraken die de ZZP-er maakt met zijn opdrachtgever(s). De voorgestelde maatregelen leiden ertoe dat de overheid verlost wordt van een complexe, onuitvoerbare en tot willekeur leidende wetgeving, die tot toenemende frustraties, irritaties en gespannen verhoudingen op de arbeidsmarkt hebben geleid.