The future of the test manager in IT projects

Now that 2016 is coming to an end, I share with you some observations I made in the past year concerning testing in IT projects. At first glance these observations seem disconnected, but I started to realise that they were forebodes of general developments in the IT world and will also have their impact on IT testing and the role of the test manager. Connecting the observations also shed some light for me on how a test manager can stay afloat in a rapidly changing IT landscape.

The first observation was that during meetings participants very often mentioned they were busy testing and measuring by the number of times they mentioned it, these testing activities seemed to take a considerable amount of their time and effort and could be considered an integral part of their daily job activities. Yet these testing activities were not (always) part of their job description or project role. It could be that these testing activities were not mentioned or recognized in a test plan, let alone be known in advance to the test manager.

The second observation was that a lot of focus in IT testing is geared towards aligning testing activities with developments around continuous delivery and iterative development. The result of these new developments is that more and more energy within companies is geared towards working ‘agile’ and subsequently test automation becomes a hot and interesting subject, partly because a lot of the testing work now directly comes into the hands of the developers.

The test manager should have or develop a fine radar to pick up the signals about project members running their own tests. Not in a negative manner as if the test manager missed out on something in his planning phase but by understanding that testing is a very natural way of how humans make progress and how the human mind works. So testing is a basic human quality that enables us to get forward with IT projects and the test manager will never (nor has to) be able to catch all the testing activities during the IT project or in advance during the planning phase.

The tester on the other hand might not always be completely aware of the significance of the testing activities. He or she may think that the result of the test is not essential for the progress of the project (other stakeholders might hold a different opinion). Then there are two other effects that the test manager needs to be aware of. First, if the test was performed to see if the idea (or read: service, product, piece of code) works and the test is negative, then the tester might get shy to communicate the failure of the tests. It becomes personal and therefore not an experience to share broadly and be proud of.

If the test result was positive the tester could boast about the results, while the test might have a not too big relevance for the final outcome of the IT project. This is where the importance of the test manager is at stake. He is one of the few project members with the necessary objectivity who can valuate these ‘under the radar’ tests within the project and determine the attention they need as well as the level and range in which these test results should be communicated.

Gone are the days when the test manager could write his impressive test plan (that only few would read from beginning to end) and gone are the days when the test manager could claim time slots to execute with his team the carefully designed and well prepared test cases.

So what is the connection between the first and the second observation? With the current developments in IT projects, the test manager will no longer be able to completely influence or comprehend all test activities within an IT project before the project starts. For a test manager to be successful within a project, the test manager will have to develop a sensitivity to the signals about on going and intended test activities.

The number of implicit tests within IT projects appeal to elementary human qualities that are essential for progress in general and in our case progress within the IT project. They stimulate the participation of the tester, yet there needs to be an independent source who eventually can judge, evaluate and inform about these tests. The outcome of this process will determine how the test manager can support the testers (with necessary facilities and resources) and how information about the test results could be distributed among the stakeholders. These will be important features for the test manager to survive in an IT industry dominated by rapid changes in methodologies and views concerning the deliverance of IT projects. He can rely less and less on his own plans and methods but will have to bring the information from test results in the projects to the surface.

Na de VAR en Wet DBA

Na enige maanden van chaotische toestanden rondom de Wet DBA heeft minister Wiebes geconcludeerd dat deze wetgeving te veel lacunes kent en het niet zo handig is om definities uit de Arbeidswet van 1907 in de 21e eeuw toe te passen. Er is, met de kamerverkiezingen in maart 2017 in het vooruitzicht, nu ieder geval hoop dat de positie van de ZZP-ers op termijn duidelijk geregeld gaat worden in nieuwe wetgeving die de Wet DBA vervangt. In dit artikel een korte terugblik en suggesties hoe de positie van ZZP-ers én werknemers duidelijker geregeld kan worden.

De afgelopen decennia zijn er grote veranderingen opgetreden in de wijze waarop arbeidsrelaties tot stand komen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Nederland grote industriële en dienstverlenende conglomeraten die voor een aanzienlijk deel voor de binnenlandse werkgelegenheid zorgden. Anderzijds verzorgden het vanouds aanwezige klein- en middenbedrijf en overheidsorganisaties in de resterende vraag naar arbeidspotentieel.

Vrijwel alle arbeidsrelaties hadden tot de jaren ’80 als gemeenschappelijk kenmerk dat zij waren gebaseerd op een lange en stabiele relatie tussen werkgever en werknemer. De werknemer koos voor een carrière bij dezelfde werknemer en carrière switches waren afwezig of uiterst beperkt. Je begon na opleiding of studie bij een ‘baas’ en vaak beëindigde je bij diezelfde baas ook je loopbaan. De overheid zorgde voor een vangnet, indien er fricties of wijzigingen in de arbeidsrelaties optraden (ontslag, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen). In dit model was er een grote zekerheid en stabiliteit ten aanzien van inkomsten uit premieheffing voor volksverzekeringen en pensioenen bij werkgevers en werknemers.

Vanaf de jaren ’80 kwamen er kenteringen in deze stabiele verhoudingen tussen werknemer en werkgever. De werknemer begon een meer zelfstandige en zelfbewustere positie in te nemen ten opzichte van de werkgever. Naast het ‘jobhoppen’, was de opkomst van de ZZP-er een illustratie van een nieuwe hang naar grotere zelfstandigheid, flexibiliteit en zelfbewustzijn. Een ZZP-er zorgde zelf voor zijn opdrachten en dopte zijn eigen boontjes aangaande verzekeringen en pensioen. De overheid stimuleerde aanvankelijk de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap ook actief door middel van gunstige fiscale regelingen zoals startersaftrek, zelfstandigenaftrek en fiscale oudedagsreserve.

Werkgevers zagen op den duur ook de voordelen van deze ontwikkeling en werden actief ondersteund door de overheid. Niet alleen werden flexcontracten of tijdelijke dienstverbanden gemeengoed, in bepaalde bedrijfstakken (zelfs binnen de overheid) werden werknemers zelfs aangemoedigd om ZZP-er te worden om vervolgens weer ingehuurd te worden door de werkgever. Voor de werkgever waren aan dergelijke constructies voordelen verbonden, zoals de afnemende belastingdruk van arbeidsgerelateerde verzekeringen en een zwakkere arbeidsrechtelijke positie ten opzichte van een werknemer, die een vast dienstverband had met de werkgever. Het begrip ‘schijnzelfstandige’ deed zijn intrede en werd door politici en maatschappelijke instanties bestempeld als een slachtoffer van de doorgeslagen flexibiliteit in de arbeidsrelaties. De politiek begon na te denken over maatregelen om hier verandering in aan te brengen.

Bovenstaand stukje context en achtergrond dient ter illustratie om aan te tonen, dat de overheid met de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) een ‘one size fits all’ aanpak probeerde te introduceren voor de ZZP-er, terwijl ZZP-ers om zeer uiteenlopende redenen voor het ondernemerschap kozen. Voor de meerderheid was het een weloverwogen keuze, voor andere ZZP-ers was het een manier om bij de werkgever aan de slag te kunnen blijven. In de nieuwe wetgeving poogde de overheid door middel van het toetsen van modelovereenkomsten grip te krijgen op de relatie tussen werkgever/ opdrachtgever en werknemer/ opdrachtnemer. De Belastingdienst zou het uitvoerend orgaan van deze toetsing worden. Indien op basis van de modelovereenkomst beoordeeld zou worden, dat er geen sprake is van een relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, maar tussen een werkgever en een werknemer, dan zou de werkgever/opdrachtgever ‘beboet’ worden en alsnog premies voor sociale voorzieningen dienen af te dragen.

Er was al gelijk onduidelijkheid over hoe de Belastingdienst een dergelijk wetgeving dacht te gaan uitvoeren en controleren. Er zijn inmiddels al meer dan een 1.000.000 ZZP-ers (waarvan in het verleden 500.000 VAR verklaringen werden verstrekt), die op jaarbasis een nog grotere hoeveelheid overeenkomsten afsluiten. Het grote manco van de Wet DBA was dat het ondoorzichtig bleef wat de werkelijke gronden voor toetsing zouden worden. Zoals iemand dat uitdrukte: de snelweg werd vrijgegeven, maar achteraf werd bepaald hoe hard je zou mogen rijden.

Als snel leidde de Wet DBA tot ophef en onrust, het vertrouwen in de markt begon weg te vallen. Opdrachtgevers kregen koudwatervrees bij verlengen of afsluiten van nieuwe contracten met ZZP-ers. Toen recentelijk ook de werkgeversorganisatie VNO-NCW overstag ging en constateerde dat de Wet DBA een onding was, werd feitelijk het lot van de wet bezegeld. Het meest realistische scenario lijkt nu dat na een nieuwe regering na maart 2017 met nieuwe wetgeving zal komen.

Omdat een aanzienlijk deel van de Nederlandse werkgelegenheid wordt vervuld door ZZP-ers heeft dit de nodige impact op het eerder beschreven systeem van sociale vangnet en het pensioenstelsel. Premie-inkomsten om sociale regelingen te bekostigen en het pensioenstelsel op peil te houden zullen verminderen. De Wet DBA leek dan ook (indirect) een poging om de klok weer terug te draaien om een verouderd model van arbeidsverhoudingen te doen herleven. Flexibilisering van de arbeidsmarkt en ZZP-schap gaan simpelweg niet samen met een stelsel van verplichte winkelnering aangaande sociale en pensioenvoorzieningen.

Nu er dus op termijn waarschijnlijk nieuwe wetgeving zal komen, die niet meer gebaseerd zal zijn op de verouderde Arbeidswet, liggen wat mij betreft een aantal maatregelen voor de hand die een oplossing bieden voor het voorkomen van ‘schijnzelfstandigheid’. Op de eerste plaats ligt de-fiscalisering voor de ZZP-er het meest voor de hand. Dat betekent dat de ZZP-er geen (of veel minder snel) aanspraak kan maken op fiscale regelingen zoals de FOR, investeringsaftrek, startersaftrek en zelfstandigenaftrek. Dit verhoogt de drempel naar het zelfstandig ondernemerschap en voorkomt ook dat ‘geloosde’ werknemers via een achterdeur weer terug kunnen komen als schijnzelfstandige (een methode die Wiebes nota bene bij zijn eigen Belastingdienst toestond). Voor de werknemers in loondienst zullen er ook aanzienlijke veranderingen doorgevoerd dienen te worden. Zij zullen een veel grotere keuzevrijheid moeten gaan krijgen ten aanzien van de invulling arbeid gerelateerde verzekeringen en de wijze waarop zij willen voorzien in de vorming van hun pensioen. Dat zal grote consequenties hebben voor pensioenorganisaties en premie innende organisaties. Om de huidige vastgelopen verhoudingen op de arbeidsmarkt te normaliseren is er geen andere weg om deze organisaties drastisch te hervormen en hun taken veel beter af te stemmen op de behoeften en wensen van de moderne werknemer. Ook zullen de hervormingen voor de werknemer er aan gaan bijdragen dat de stap naar een ZZP-bestaan veel minder aantrekkelijk en vanzelfsprekend wordt.

De ZZP-er krijgt voor het inleveren van zijn fiscale voordelen er dan wél voor terug dat hij met rust gelaten wordt door de overheid. Deze bemoeit zich niet meer met de afspraken die de ZZP-er maakt met zijn opdrachtgever(s). De voorgestelde maatregelen leiden ertoe dat de overheid verlost wordt van een complexe, onuitvoerbare en tot willekeur leidende wetgeving, die tot toenemende frustraties, irritaties en gespannen verhoudingen op de arbeidsmarkt hebben geleid.